Page 152 - Empowering pre-service teachers through inquiry - Lidewij van Katwijk
P. 152

                                Nederlandse samenvatting
 De tweede en derde deelstudie (hfst. 3 en 4) tonen aan dat zowel studenten aan de lerarenopleiding als hun lerarenopleiders, in Nederland én Australië, ervan overtuigd zijn dat de ontwikkeling van onderzoekend vermogen bijdraagt aan de ontwikkeling van betere leraren. De overeenkomsten met betrekking tot percepties ten aanzien van studentonderzoek tussen de studenten van de twee verschillende landen, zijn groter dan de verschillen. Hetzelfde geldt voor de lerarenopleiders. De aanstaande leraren hebben positieve opvattingen en een positieve houding ten aanzien van praktijkonderzoek: zij vinden dat praktijkonderzoek belangrijk en interessant is en dat het een goede manier is om te professionaliseren. Vrijwel alle studenten geven aan dat het afstudeeronderzoek tevens het moeilijkste onderdeel vormde van de hele studie, wat daardoor ook momenten van frustratie en andere negatieve gevoelens opleverde. Na afronding van het afstudeeronderzoek overheerst het gevoel van trots over het bereikte resultaat. De belangrijkste reden dat aanstaande leraren positief zijn over praktijkonderzoek is dat zij zich gesterkt voelen in hun eigen kunnen en autonomie. Ze geven aan dat ze zich al tijdens het uitvoeren van het afstudeeronderzoek door collega’s op de stageschool serieus genomen voelen als onderwijsprofessional. Tijdens het werken aan het praktijkonderzoek specialiseren zij zich op een bepaald vlak, waardoor zij de behoefte voelen om hun theoretische en praktische inzichten te delen en het gesprek aan te gaan met collega’s over onderwijs. Na afronding voelen zij zich gesterkt om bijvoorbeeld schoolbeleid ter discussie te stellen en om onderzoeksresultaten van anderen te gebruiken om hun eigen onderwijs te verbeteren. Zowel de aanstaande leraren als de lerarenopleiders denken dat ze goed in staat zijn om praktijkonderzoek te verrichten. Toch heeft meer dan een derde van de aanstaande leraren niet de intentie of verwachting om nog iets met onderzoek te doen in een toekomstige baan. De belangrijkste redenen hiervoor zijn: 1. De focus in het werk zal, zeker de eerste jaren, op het lesgeven zelf liggen, 2. De formele manier waarop praktijkonderzoek aangeleerd en getoetst is in de opleiding is tijdrovend en veeleisend, en 3. Het gebrek aan een onderzoekscultuur op de meeste basisscholen.
Uit de tweede deelstudie (hfst. 3) blijkt dat lerarenopleiders en studenten niet hetzelfde beeld hebben van hoe het onderzoekend vermogen gedurende opleiding ontwikkeld is. De studenten hebben het gevoel dat de leeractiviteiten in de opleiding vooral gericht waren op het aanleren van onderzoeksvaardigheden. Ze vinden het lastig om activiteiten te benoemen waarbij de ontwikkeling van een onderzoekende houding centraal stond, terwijl opleiders tal van voorbeelden uit hun eigen onderwijs kunnen opnoemen. De studenten benoemen een aantal sleutelfactoren
150































































































   150   151   152   153   154